Voorbeelden

De geschiedenis kent een aantal mensen die als voorbeelden gelden ten aanzien van levensinstelling en daadkracht, meestal zichzelf wegcijferend voor de medemens die vaak het kind van de rekening is of was. Ik zou heel wat namen kunnen opnoemen, maar wil me in dit geval beperken tot één naam Alida Bosshardt. Een vrouw die bij de meesten van ons nog wel bekend is onder de naam Majoor Bosshardt, alhoewel zij de rang van majoor al lang achter zich gelaten had en Luitenant-kolonel was binnen de gelederen van het Leger des Heils, bleef zij als Majoor bekend. Ik las over haar en kon het niet laten om door het schrijven van een column mijn bewondering voor haar uit te spreken. Een voorbeeld van iemand die, alhoewel vanuit een godsdienstige beleving, geen enkel onderscheid maakte tussen mensen waarvoor ze zich inzette. Zij zou met name het voorbeeld moeten zijn voor de vele godsdienstige instanties van allerlei pluimage die door zogenaamde hulpverlening alleen maar bezig zijn om te bekeren tot hun eigen ideeën.


Fundamentalisten laat ik hier helemaal buiten beschouwing. Voor haar was iedereen een kind van God en dus waardevol, zij bewoog zich ongedwongen in een bonte samenleving van ministers en prostituees, leden van de Koninklijke familie en pooiers, hoogleraren en criminelen enz. Zij maakte geen enkel onderscheid naar kerk of geloof. In geen enkele maatschappelijke onderwereld heeft zij ooit gevaar gelopen, haar natuurlijke onschuld ontwapende de grootste crimineel en maakte mensen als was in haar handen. Haar onbevangenheid samen met het uniform en typisch hoedje maakte haar onschendbaar. Dat gebeurde ook al in de oorlog, waar de Duitse bezetter dit ondervond. Ze was in die jaren hoofd van een kinderhuis in Amsterdam, daar verborg zij tientallen Joodse kinderen of bracht ze naar onderduikadressen. Het Leger des Heils was door de nazi’s verboden, dus moest ze iedere dag eten bij elkaar bedelen voor haar groeiende aantal kinderen en om geld te krijgen stortte zij zich onder meer in de zwarte handel in sigaretten en jenever. Dat was moreel gezien het ergste wat een Heilssoldate kon doen, haar superieuren mochten daar dus niets van af weten en de Duitsers ook niet. Ze hield toen drie boekhoudingen bij: één voor het hoofdkantoor van het Leger, één voor de Duitsers en één (de juiste) voor zichzelf. Toen ze door de Duitsers gearresteerd werd op grond van ondergrondse activiteiten wilde de Ortskommandant weten van haar wie het hoofd van haar verzetsorganisatie was. Zij beantwoordde dit met verpletterende eenvoud, namelijk: “dat is God de Heer die hemel en aarde gemaakt heeft en die trouw blijft tot in eeuwigheid.” Na tien dagen uitputtend verhoor gaf de Ortskommandant het op en liet haar vrij. Afgezien van de Joodse kinderen die ze beschermde, zijn de mensen die ze gered heeft van een morele of sociale ondergang niet te tellen.

Toen ze aan het eind van haar leven ziek was kwam een forse Amsterdammer haar opzoeken met een flinke bos bloemen in de hand, zij kende deze man als iemand uit de onderwereld en zei tegen hem: “Willem, dat vind ik heel lief, maar zeg eens eerlijk heb je die van je eigen centen gekocht of heb je ze gestolen ?” De man verschoot van kleur en zei: “Majoor, ik bezweer u, ik heb ze van mijn eigen centen gekocht.” De majoor antwoordde: “dan is het goed Willem, zet ze maar in het water..” Toen ze was overleden lag naast haar bed, haar bijbel opengeslagen bij Matth. 25 en krachtig onderstreept de verzen 31-40, waar Jezus zegt: “Ik had honger en je gaf me te eten, dorst en je gaf me te drinken, ik was een vreemdeling en je bood me onderdak, ik had geen kleren en je kleedde mij. Toen ik ziek was bezocht je mij en in de gevangenis kwam je naar me toe.” Op de vraag wanneer dat dan was antwoordde Jezus: “ Alles wat je gedaan hebt voor één van de onaanzienlijksten in deze wereld heb je aan mij gedaan.” Het leven van de Majoor kon niet beter beschreven worden dan in deze tweeduizend jaar oude woorden. Gelovig of niet, het telde voor haar niet, een ieder was even waardevol, dat was haar geloof waaruit ze leefde. Of we nu zelf gelovig zijn of niet, je kunt toch niet anders dan grote bewondering hebben voor zo’n vrouw. Over voorbeelden gesproken.

A.L. Duscees