Macht, en hoe
het gebruikt wordt.

Macht
corrumpeert, is een veel gehoorde uitdrukking, die uitdrukking is
niet voor niets ontstaan, maar er is meer. Niet alleen het graaien
door opzienbarende vertrekpremies of bonussen, maar ook is de manager
in vele gevallen een onbenul als het gaat om de kennis over het
vakgebied waar hij de leiding over heeft. Ze zijn inmiddels
geïnfiltreerd bij bedrijven, zorgorganisaties, ziekenhuizen en
onderwijsinstellingen enz. Zij onderscheiden zich van de gewone
werknemers door zelfbedacht taalgebruik en het feit dat ze
vaktechnisch niets begrijpen van het bedrijf of instelling. Voor hen
onbelangrijk want ze zien hun taak als procesmanager, hetgeen ook
betekent dat ze zonder enig probleem overstappen van bv. een
vleesfabriek naar een universiteit of van een ziekenhuis naar een
luchthaven.

Voor hen telt alleen input en output, of dat nu
vleeswaren, patiënten, leerlingen of bejaarden zijn. In
tegenstelling tot de gewone werknemer, die trots zijn vak beheerst en
het bedrijf als een tweede soort familie ziet. Managers vinden dat
primitief en bekrompen, kenmerkend voor de lagere regionen van het
personeel, zij hechten zich zelden aan het bedrijf dat zij beheren,
dat wordt ze ook afgeraden op de management cursussen of op bv.
Nijenrode, ze zouden dan niet meer koel, objectief en analytisch
beslissingen kunnen nemen. Namen van personeelsleden kennen ze veelal
niet voor hen zijn het slechts getallen in een statistiek,
formatieplaatsen fte’s of posten. Hun schijnwereld wordt in stand
gehouden door managementtaal wat het normale Nederlands heeft
vervangen. De normale functies zijn vervangen door consultants,
ceo’s, accountmanagers, human resourcemanagers en clusterhoofden, hun
activiteiten gaan schuil achter een rookgordijn van nietszeggende
termen zoals grensverleggend en probleemoplossend verantwoordelijk
zijn voor de protocollen, toetsingsprocedures en draagvlakken voor de
totaalsituatie. Zo is er een machtsklasse ontstaan met eigen regels
en normen die zichzelf in stand houden door steeds meer in grootte
toe te nemen. Zo kost bv. het management in ziekenhuizen soms meer
dan de geneeskunde zelf. Het betekent ook dat leraren
verpleegkundigen of artsen pas carrière maken als ze manager worden
en toetreden tot deze aparte klasse. Om dit in stand te kunnen houden
zijn er fusies, schaalvergrotingen en reorganisatie nodig waarbij het
erop neer komt dat de gewone werknemer, de vakman hiervan altijd de
dupe wordt en velen op straat komen te staan. Grote onoverzichtelijke
ziekenhuizen, scholengemeenschappen en andere gefuseerde bedrijven
waarin de individuele mens totaal verloren gaat. Het effect is overal
te zien, in kleine plaatsen en dorpjes is het sociale leven
geleidelijk verarmd. Kleine bedrijven en winkels zijn verdwenen samen
met het postkantoor en het bankfiliaal.

Dit proces is voortreffelijk
beschreven door Geert Mak in zijn boek “Hoe God verdween uit
Jorwerd.” Een van onze nationale trotsen de Fokkerfabriek ging in
1996 failliet. Er kwam op tv een documentaire over het laatste
vliegtuig wat nog afgebouwd werd. Van de ruim 8500 Fokkermedewerkers
waren er nog 500 over en de vraag werd gesteld of dat geen problemen
gaf bij de oplevering. De chef-monteur antwoordde toen: “Integendeel,
we liggen 20 dagen voor op ons schema en dit toestel kost
vermoedelijk veel minder dan alles wat we tot nu toe gebouwd hebben,
want de hinderlijke toplaag van managers is nu weg en wat we over
hebben zijn allemaal vakmensen die verstand van vliegtuigen hebben.”

Hopelijk
dringt deze keiharde waarheid ooit nog eens door bij scholen,
ziekenhuizen, banken en andere instellingen. De dag dat niemand meer
met miljoenen naar huis gaat en totaal onbewogen een hoop menselijke
ellende achter zich laat.

(Deze
column is geschreven naar aanleiding en gedeeltelijk gebruik makend
van een eerdere column van prof.dr. Bob Smalhout).

A.L.
Duscees