Kennis
van onze gebruiken, brengt begrip voor elkaar

Deze
week werd door de eigenaar/hoofdredacteur van deze krant op twitter
de vraag gesteld: ‘vind je een askruiske nog nodig als je geen
carnaval hebt gevierd ?’. Deze vraag triggerde mij, omdat in mijn
beleving dit los van elkaar staat en wel om die reden dat ik vanuit
mijn jeugd weet dat onze katholieke buren, op aswoensdag altijd een
askruisje gingen halen terwijl ze niet aan carnaval deden. In ons
dorp in Zeeuwsch Vlaanderen was zo’n 30 à 40% katholiek, wat
betekende dat de protestantse meerderheid geen openbaar carnaval
toestond. Velen trokken naar omliggende katholieke dorpen en in ons
dorp werd een besloten carnaval gevierd in het patronaatsgebouw. De
kinderen van onze buren gingen daar soms heen, maar zij zelf nooit.
Wel hielden zij zich strikt aan de kerkelijke gebruiken die echt met
hun geloof te maken hadden. Aangezien mijn protestantse ouders en zij
een voortreffelijke band met elkaar hadden werd wederzijds veel over
de geloofsachtergronden gepraat en ook met groot respect van elkaar
gewaardeerd. Daarvandaan weet ik dat aswoensdag het begin van de
vastentijd van 40 dagen betekent en het askruisje symbolisch verwijst
naar boetedoening. Dit grijpt terug naar de bijbel waar als
teken van berouw en vasten het
gebruik van as veelvuldig voor komt. De boeteling strooide zich as
over het hoofd.

Vaak ging hij daarbij gehuld in een zak, die als
boetekleed werd gedragen. Hier komt de uitdrukking “in zak en as
zitten” vandaan. Het geheel geeft aan dat men er van uit ging
dat iedereen tegen God of zijn medemensen gezondigd had. Volgens de
katholieke encyclopedie worden daarbij de woorden die God sprak na de
zondeval van de mens: ‘gedenk mens, stof zijt ge en tot stof zult
ge wederkeren’, uitgesproken. Verder las ik dat nog niet zo lang
geleden, in 1989, de Nederlandse Bisschoppen bepaalden dat Aswoensdag
en Goede vrijdag dagen van verplichte vasten en onthouding in spijs
en drank zijn. Bij de hierboven gestelde vraag wordt gesuggereerd dat
het askruisje halen te maken zou hebben met het vieren van carnaval,
alsof men daarmee spijt betuigt voor eventuele uitspattingen. Nu kan
ik me in onze maatschappij van ontkerkelijking best voorstellen dat
er zo naar gekeken wordt, immers als de achtergrondkennis ontbreekt
worden soms conclusies getrokken die ogenschijnlijk met elkaar te
maken hebben. In eerdere columns heb ik al eens geschreven over de
oorsprong van ‘kerkelijke’ hoogtijdagen, zoals kerst, Pasen en
ook carnaval. Van oorsprong waren dit “heidense” gebruiken die al
eeuwenlang bestonden, maar in de eerste eeuwen van de kerk en ook in
de middeleeuwen (carnaval) omgeturnd werden tot kerkelijke feesten,
wat niet anders zijn dan wat wij nu marketingtechnieken zouden noemen
met de bedoeling het volk aan de kerk te binden. Op de bovengestelde
vraag is voor mij dan ook het antwoord: als je gelovig bent in de
katholieke traditie ga je altijd een askruisje halen, het heeft niets
met carnaval te maken. Wel vraag ik me af hoeveel gelovigen zijn er
nog ? Ik heb in tegenstelling tot wat ik vroeger zag, weinigen met
een kruisje zien rondlopen.

Vind ik dit jammer ? Niet uit een
geloofsovertuiging, maar wel om het feit dat mensen naar mijn idee te
weinig op zoek zijn naar kennis en de gevolgtrekkingen daaruit voor
hun doen en laten. Niet alleen wat dit onderwerp aangaat, maar in
alles wat in onze maatschappij voorkomt. Vooroordelen over wat dan
ook die we vaak tegenkomen zijn meestal het gevolg van het ontbreken
van kennis en daardoor begrip voor elkaar. In die zin ben ik mijn
ouders nog altijd dankbaar, dat zij in een tijd waarin protestant en
katholiek vaak nog lijnrecht tegenover elkaar stonden en elkaar vaak
verketterden, zij, overigens samen met onze buren, ons het voorbeeld
gaven, hoe je door achtergrondkennis met elkaar te delen, elkaar kon
begrijpen en waarderen. Wat mij betreft geldt dit voor alle
levensovertuigingen.

A.L.
Duscees