Tegeltjeswijsheden,
aforismen, quote’s en oneliners

(en
wat hebben politici uit zichzelf te vertellen)

Het
Groot Dictee der Nederlandse taal werd onlangs geschreven door Kees
van Kooten. Het was een totaal ander dictee dan alle vorige.
Vernieuwend en verfrissend, althans het gedeelte waarbij de
taalfouten eruit gehaald moesten worden. Anderzijds vraag ik me af
waarom er elke keer woorden gebruikt worden die we in het dagelijks
leven, zowel in woord als geschrift, nooit gebruiken en die de meeste
mensen niet eens kennen. Maar dit terzijde. Zelf ben ik altijd
bewonderaar geweest van Koot en Bie, met name van hun taalhumor, zie
o.a. de bescheurkalender. Ik mag dan zelf geen Neerlandicus of
taalvirtuoos zijn, toch hou ik van taal en met name de taal als bron
van humor. Ik mag ook graag over taal nadenken en een soort
tegeltjeswijsheden op papier zien te krijgen. Ieder zijn hobby zullen
we maar zeggen. Echter authenticiteit daarin te hebben is iets heel
anders. Veelal is het een voortborduren op een al bestaande
uitdrukking of gezegde. De werkelijke taalvirtuozen zoals ik ze noem,
komen altijd met een geheel nieuwe gedachte of woord en laten ons
weer een heel andere kant daarvan zien. Wat dat betreft blijkt taal
een onuitputtelijke bron.

Tegeltjeswijsheden.

De
zogenoemde tegeltjeswijsheden, zijn meestal spreekwoorden of gezegden
met een moraliserende strekking, welke er toe dienen om de lezer op
iets te wijzen. Van oudsher zijn deze meestal te vinden op (Delfts
blauwe) tegeltjes. Tegenwoordig wordt de uitdrukking
tegeltjeswijsheid ook gebruikt om aan te geven dat een uitspraak
verouderd is en niet meer van toepassing, of dat iemand dit duidelijk
uit z’n hoofd geleerd heeft. Het woord heeft dan een negatieve
bedoeling. Een paar voorbeelden van verouderde wijsheden zijn:
“Als de hanen kraaien in het gebint, is het weer u goed gezind”.
Weersvoorspelling gebaseerd op oude boerenwijsheid wat ons de dag van
vandaag niets meer zegt. “ Een vrouw die goed koken kan, is een
engel voor de man”. Gebaseerd op het traditionele en verouderde
rollenpatroon. En een godsdienstige: “ De Heer behoede uwen uitgang
en ingang”. De nieuwe hedendaagse spreuken, o.a. van ‘Loesje’,
kunnen we meer rangschikken onder aforismen.

Aforismen.

Een
aforisme is een korte, bondige uitspraak, die grappig, paradoxaal
en/of absurd, een boodschap van wijsheid wil geven. Vele ‘Loesje’
uitspraken zijn aforismen, zoals b.v.“ een beetje plakker, schudt
de hele wereld wakker”. Of, “met drift kom je nergens, met
geestdrift overal”. Van Søren Kierkegaard zijn de volgende bekend:
“Het talent verwekt sensatie, het genie roept tegenstand op”, en
“Geloven is dat je tot elke prijs aan een mogelijkheid vasthoudt”.
Het verschil tussen tegeltjeswijsheden en aforismen is dat
tegeltjeswijsheden willen beleren naar de voor die tijd heersende
moraal , dus zo hoort het, en aforismen de mensen wil laten nadenken
doormiddel van soms scherpe of grappige teksten, maar niet belerend
zijn.

Quote’s
en oneliners.

Daarnaast
kennen we nog de quote’s en oneliners, veelal gebezigd in de
politiek. Een quote is een citaat, een letterlijke uitspraak van
iemand, die door een ander herhaald wordt, soms geparafraseerd wat
wil zeggen met andere woorden hetzelfde zeggen, maar is altijd
leentjebuur. Oneliners daarentegen zijn kernachtige, meestal
humoristische uitspraken welke niet langer zijn dan één zin, zij
worden vaak gebruikt in politieke debatten. Omdat zij dikwijls
blijven hangen wordt in veel gevallen door politici en hun
tekstschrijvers daar vooraf heel goed over nagedacht, maar ook zijn
er voorbeelden waarop deze spontaan naar boven komen, zoals een
bekende van Hans Wiegel die tijdens een spreekbeurt vanuit de zaal
door iemand wordt toegeroepen: “Klootzak”, waarop zijn antwoord
was: “Fijn dat u zich even voorstelt, mijn naam is Hans Wiegel”,
of een overbekende van Johan Cruijff: “elk nadeel heb z’n
voordeel”. In de meeste gevallen echter kan je zeggen dat zowel
quote’s als oneliners, uitspraken zijn die door anderen dan degene
die ze uitspreekt zijn bedacht. Als we zo naar de politici kijken,
blijken ze net als ons ook maar een gewoon mens te zijn, die gebruik
maken van en voortborduren op gedachten van anderen. Om er nog eens
een bekend aforisme tegen aan te gooien: “Mens
is men door anderen na te apen”. Vaak is het bij een
politicus ook zo dat hoe stelliger hij iets beweert, hoe onzekerder
hij is. Laat ik er maar een nieuwe naam aan geven, een politicus is
een ‘bewindsonzekere’ die anderen napraat.

A.L. Duscees