Shoppen, ik haat het..

“We gaan een korte broek kopen.” “Hoezo, een korte broek ? de zomer is voorbij en we zitten nog hooguit 2 weken op de camping.” Deze conversatie speelde zich afgelopen week af tussen mijn vrouw en mij. “Dat heb je zelf gezegd,” zegt ze. Dat klopt, eind juni begin juli heb ik een keer gezegd dat ik eigenlijk wel een nieuwe korte broek wilde hebben, maar het is er niet van gekomen. Nu verdenk ik mijn vrouw ervan dat het niet om die korte broek ging, maar dat het vrouwelijke shopvirus weer had toegeslagen, immers ons verblijf op de camping is door het goede weer al enkele weken verlengd, hetgeen betekent dat er hooguit af en toe naar de supermarkt wordt gegaan voor de noodzakelijke boodschappen. Ik had natuurlijk kunnen weten dat vroeg of laat dit virus weer toe zou slaan. Om een lang verhaal kort te maken, we gingen naar een plaats in de buurt om een korte broek te kopen, want zo gaat dat bij ons, als mijn vrouw dat in haar hoofd heeft gaat het gewoon door, ondanks mijn tegenwerping dat de mode volgend seizoen misschien wel heel anders is. “Rij eerst maar naar de Zeeman” zegt ze, “daar hebben ze vast wel wat en niet duur.” “Hoezo eerst,” zeg ik, “ik ga echt niet alle textielwinkels in voor een simpele korte broek.” “Rij nou maar,”zegt ze. In de winkel aangekomen, loop ik direct naar het herengedeelte waar ik korte broeken zie hangen en hou een paar broeken voor me om te zien of ze me passen. Mijn vrouw is inmiddels onzichtbaar, om haar te vragen welke van de twee broeken die ik uitgekozen heb ze het mooist vindt, moet ik de halve winkel doorlopen, uiteindelijk zie ik haar gehurkt bij een rek met dameslingerie of iets wat daar voor moet doorgaan. “Is er meer niet ?” zegt ze als ik haar de twee broeken laat zien, om vervolgens mee terug te lopen naar het herenrek. Na zo’n 10 minuten houdt ze me een ruitjesbroek voor en zegt: “dit is een leuke, neem die maar.”

“Oké” zeg ik, “dan ga ik nu afrekenen en kunnen we gaan.” “Nee,” zegt ze “ik moet nog even rondkijken.” Een diepe zucht ontsnapt aan mijn lippen, ik ken dat rondkijken. Uiteindelijk sta ik zo’n half uur later bij de kassa om een broek, een t-shirt, en nog wat damesgerief af te rekenen. “Ik moet ook nog even naar Blokker om theelichtjes te halen,” zegt ze als we buiten komen. Ik had het kunnen weten en daar worden niet alleen theelichtjes bekeken, het complete assortiment passeert daar de revue. Na verschillende keren allerhande “onzinnige en onnodige” attributen me voorgehouden te hebben met de uitspraak “kijk eens hoe leuk, dat is wel iets voor op de camping,” zeg ik telkens: “hebben we niet nodig,” of “wat heb je daar nou aan.” De theelichtjes uiteindelijk waren te duur vond ze, “bij het Kruidvat zijn ze zeker goedkoper.”M.a.w. onze volgende winkel werd het Kruidvat. “Ik wacht wel even in de auto”zeg ik, “je hoeft toch alleen maar theelichtjes te hebben.” Twee sigaretten later oftewel zeker 20 minuten, stapt ze in en zegt: “nu nog even langs de Intertoys, we zouden allang nog een paar spelletjes bijkopen, we zijn er nu toch dus dat doen we maar even.” “Even ?” zeg ik. Bij de Intertoys aangekomen, geen parkeerplaats te vinden, ik al blij, maar helaas “laat me er hier maar even uit, dan kan jij even rondrijden om een plekje te zoeken en …geef me even je portemonnee.” Twee straten verder kan ik parkeren, maar nu moet ik wel naar die winkel anders kan ze me nooit vinden. Bij de winkel aangekomen ga ik op een paaltje zitten en wacht op haar, nadat ik mijn opgestoken sigaret op heb, besluit ik om maar even binnen te kijken, want waarom moet het nu zo lang duren. In de winkel niemand te zien, althans mijn vrouw niet. “Wat is dit nou weer” denk ik. Terug naar buiten en rondkijken, zou ze me al aan het zoeken zijn denk ik, maar even de straat inlopen in de richting waarin ik ben gereden toen ik haar afzette. Niets te zien, weer terug en dan ineens zie ik haar, ze komt uit de Hema die schuin tegenover de Intertoys staat, in haar handen een Intertoys en een Hema tasje. “Wat heb je nou weer allemaal gekocht,” is mijn eerste reactie. Heel enthousiast laat ze me een paar spelletjes en wat Hema prullaria zien. “Kunnen we nu terug ?” vraag ik. “Ja, maar ik moet nog wel even langs de supermarkt, want ik wil vanavond Mexicaans maken.”

En onze politici maar klagen dat er te weinig geconsumeerd wordt, een groot deel van de mooie dag later en een aardig geld bedrag armer, zijn we weer terug. Zijn er geen medicijnen tegen dit virus ?

Een voordeel, ik krijg nooit problemen met de reclamecode commissie over deze column wegens het benoemen van één bepaalde winkelketen.

A.L. Duscees