Volgens het onlangs naar buiten gebrachte nieuws over misbruik bij kinderen in de jeugdzorg, zou er sprake zijn van 4 x zo veel kans om misbruikt te worden binnen die jeugdzorg dan in de “normale” maatschappij. Misschien moeten we dan wel spreken over ‘van de drup in de regen’. Volgens de aangehaalde onderzoekers, komt dit zowel voor binnen de instellingen, als wel in de pleeggezinnen. In een groot deel van de gevallen is er sprake van misbruik door lot- en/of leeftijdgenoten binnen de instelling, of eigen kinderen en familie van de pleeggezinnen. Dit ter verduidelijking van het idee dat hulpverleners de grote boosdoeners zijn, alhoewel het ook daarbij voorkomt. Er zijn allerlei redenen te bedenken waar dit nu aan zou kunnen liggen. Echter de reden die door een vrouwelijke hotemetoot van de jeugdzorg in het nieuws naar voren werd gebracht, doet me de haren ten berge rijzen.

Haar commentaar was dat kinderen die bij jeugdzorg terechtkomen allemaal beschadigd of getraumatiseerd zijn en daarom juist dit soort gedrag aantrekken, met andere woorden eigenlijk ligt de oorzaak bij die kinderen zelf. Amehoela. Dat is hetzelfde als wanneer je zou zeggen dat een patient in het ziekenhuis niet extra aandacht hoeft te krijgen om allerlei infecties te voorkomen, want hij is toch al ziek, (al komt dit helaas ook voor met bacteriële infecties). Juist daarom verdiend zo iemand extra aandacht en bescherming. Wat jeugdzorg zich aan moet trekken en misschien ook wel de regering met hun bezuinigingsprioriteiten, is dat de zwakke juist extra bescherming en veiligheid nodig heeft. Daar waar gezinnen geconfronteerd worden met ziekte of een handicap van een van hun kinderen, zal men er toch alles aan doen om dit kind binnen dit gezin alle veiligheid en aandacht te geven, soms zelfs zodanig dat andere gezinsleden wel eens zeggen: ”het draait bij ons alleen maar om hem of haar”. Soms kan dit ook doorschieten, maar ons“Nederlandse gezin” is daar m.i. nog ver vanaf. Daarnaast heb ik het idee dat bij de keuze voor pleeggezinnen er ook nog wel het een en ander verbeterd kan worden. Ik weet dat er een schreeuwend tekort aan pleeggezinnen is, maar dat mag nog geen vrijbrief zijn om het met het aannemen van pleeggezinnen niet zo nauw te nemen. Ik spreek uit eigen ervaring als ik zeg dat er een flink aantal pleeggezinnen zijn die puur uit financieel oogpunt tot deze keuze zijn gekomen, dit met alle gevolgen voor een juiste opvang van beschadigde kinderen. Ook vraag ik me wel eens af of de prioriteit bij jeugdzorg niet meer moet liggen bij een verder gaande begeleiding in de oorspronkelijke gezinnen, dan kinderen snel weg te halen en in jeugdinstellingen of pleeggezinnen te plaatsen. Ook weet ik dat oppervlakkige kennis bij zgn. ervaren mensen als leerkrachten, huisartsen of maatschappelijk werkers, voor jeugdzorg veel zwaarder tellen dan zich te verdiepen in de werkelijke problemen die bij ‘probleem’ ouders kunnen spelen.

Hiermee wil ik niet zeggen dat het een en al kommer en kwel is, natuurlijk wordt er ook heel veel goede hulp geboden, maar dat er nog duidelijk wat te verbeteren valt is voor mij ook duidelijk.

A.L. Duscees