Vroeger bij ons thuis, kreeg in april het huis een grote beurt, om maar eens een bijbelse uitdrukking te gebruiken, “het huis werd met bezemen gekeerd.” Maar niet alleen met bezemen, alles moest van z’n plek, kleden gingen naar buiten om geklopt te worden, gordijnen werden gewassen, het beddengoed en de matrassen gingen van de bedden af en het hele huis rook naar groene zeep, vaak ook werd er opnieuw behang aan de muren geplakt en wij als kinderen kregen meestal ook nog nieuwe kleren. Dat was niet alleen bij ons zo, maar overal in bijna elk huis brak dit jaarlijks terugkerend virus weer uit, liefst vóór Pasen, maar viel Pasen vroeg, dan zo snel mogelijk erna, ook een beetje afhankelijk van het weer. We kennen dit allang niet meer, althans bijna niet meer, een enkeling houdt nog vast aan dit jaarlijks terugkerend ritueel.
Wat mij toen als kind al opviel en me altijd is bij gebleven was, dat het leek dat niet alleen het huis werd opgeruimd en schoongemaakt, maar dat ook het hoofd van de mensen parallel daaraan een grote beurt kreeg, men was vrolijker, aardiger en er mocht iets meer, het feit dat ook de natuur hieraan meewerkte door het nieuwe leven wat weer zichtbaar werd, speelde daarbij natuurlijk ook een rol. Het oude vuil van zowel het huiselijk en het geestelijke van het dicht op elkaar samenleven gedurende de wintermaanden werd opgeruimd, alles leek weer wat mooier, een nieuw begin dus.
Deze voorjaarsschoonmaak wil ik gebruiken als metafoor voor het geestelijk leven in onze tegenwoordige maatschappij. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat het oude vuil zich steeds meer ophoopt, mensen blijven hangen in oud zeer en zijn steeds minder bereid iets achter zich te laten, hierdoor ontstaan ook korte lontjes die bij het minste en geringste ontbranden. De ruimte in de geest van de mens wordt steeds kleiner. Daarom een pleidooi voor de terugkeer van de voorjaarsschoonmaak en dan bedoel ik dit niet voor ons huis, maar voor het schoonmaken van onze bovenkamer, zodat we met nieuwe frisse gedachten elkaar tegemoet kunnen treden en een stukje verdraagzamer t.o.v. elkaar worden. Oud zeer wat op onze zolderkamer ligt naar de stort brengen, het behang van de vooroordelen eraf trekken en het nieuwe sausje van begrip op de wanden van ons hart smeren, het vuil oftewel de negatieve gedachten uit onze bedden waar we zo graag in blijven liggen uitkloppen, zodat het allemaal weer nieuw lijkt en we met een open blik, anders naar onze medemens kijken. Kortom het nieuw ontstane leven in de natuur ook omzetten naar onze natuur. Dat zou pas ”schoon” zijn.
A.L. Duscees