Vorige maand heb ik weer meegedaan aan het Groot Dictee der
Nederlandse Taal. Wat me opviel deze keer, was het gegeven dat er in
tegenstelling tot andere jaren, bijna geen moeilijke en/of onbekende woorden in stonden, maar dat
de interpretatie van de taalregels erg belangrijk was. Ik heb daar sinds die
tijd regelmatig over nagedacht en kan niet anders dan tot de conclusie komen
dat onze taalregels bijna niet uit te leggen zijn. Volgens het woordenboek is
de uitleg van bureaucratie of ambtenarij, een overmaat aan regelende instanties
en regelingen. Ook onze maatschappij staat daar om bekend; de uitgebreide en
soms absurde regelgeving in onze taal lijkt hiermee wel parallel te lopen. De
taal als het communicatie middel bij uitstek kent twee hoofdwegen, 1. het
gesproken woord en 2. de schrijftaal. Voor het gesproken woord gelden simpele
regels, welke niet veel verder gaan dan
de meervoudsvormen en de tegenwoordige, verleden of onvoltooid verleden
tijd. We begrijpen allemaal wat we zeggen of het woord nu met een d of t, au of
ou is. In de geschreven taal gelden echter enorm veel, en voor de gemiddelde
Nederlander onbegrijpelijke regels. Waar komt dit vandaan en wat is het nut van
al die regeltjes ? Misschien vanuit het juridisch aspect om naar de letter van
de wet te kunnen oordelen? Dat zou een reden kunnen zijn, maar dit dekt nog
lang niet alle taalregeltjes. Laat mij een aantal voorbeelden noemen welke in
het dictee aan bod kwamen. Het wel of niet aaneenschrijven of van tussenstreepjes
voorzien van de volgende woorden: voor-de-gek-houderij en
automatischepiloottoestand of eau de cologne en eau-de-colognefles. Het gebruik
van verkleinwoorden, eurootje en eau de toiletteje, waarom komt bij dit laatste
woord er een e tussen de t en de j ? Of het schrijven van een hoofdletter of
niet bij eigennamen, zoals Jan en alleman en balkenendenorm. Maar ook bij
heilige namen of verwijzingen daarnaar zoals De Heer en Zijn werken en Allah en
Z’n profeet Mohammed. Duizelt het U ook al ?

Zo zijn er nog veel meer naar het lijkt, inconsequente
regeltjes te bedenken. O.a. het gebruik van leestekens, wanneer een komma of
een puntkomma ? Ondanks de vele regeltjes kan ik nog steeds niet zien of een
geschreven woord nu letterlijk of figuurlijk bedoeld is, dat moet je dan weer
uit de gehele tekstinterpretatie halen. Waarom bv. niet een woord wat
letterlijk bedoeld wordt met een hoofdletter schrijven en een woord wat
figuurlijk bedoeld wordt met een kleine letter, zoals Zondagskind (letterlijk
op zondag geboren) of zondagskind in figuurlijke zin. Nu zijn de Rapen gaar
(letterlijk) of nu zijn de rapen gaar (figuurlijk). Ook de zin, we gaan een
dagje statten, waar naar de stad gaan een werkwoord is geworden, zou voor mij
als stadten geschreven mogen worden. Ik heb enorm mededogen met al die nieuwe
Nederlanders die onze taal moeten gaan leren.

Een bijkomend aspect van deze column is dat ik hiermee mijn
dicteefouten heb willen goed praten.

A.L. Duscees